Rose: een eigenzinnig genie

De stadsarchitect van Rotterdam, de man met internationale allure Willem Nicolaas Rose, werd in 1863 door Thorbecke betrokken bij plannen voor de bouw van een nieuw paleis voor de Staten-Generaal. Het paleis kwam er nooit.

Auteur | Christa van Zeggeren

Zijn vriend de bouwkundige Johan Frederik Metzelaar noemde Rose een hoogst bekwaam ingenieur en zijn tijdgenoten ver vooruit. Maar voor het behoudende Den Haag was Rose domweg te revolutionair. Men was in de residentie niet rijp voor zo’n vernieuwende en eigentijdse bouwstijl. Victor de Stuers, pleitbezorger van behoud van het nationale culturele erfgoed, rilde vele jaren later nog bij de gedachte dat “Indien deze architect (Rose) niet afgetreden ware, hij het geheele Binnenhof zou hebben omvergehaald en vervangen door een aantal steenen en ijzeren kasten volgens het model van Koloniën.”

Je kunt ervan denken wat je wilt; het departement van Koloniën aan het Plein in Den Haag, het ontwerp van Rose dat wel gerealiseerd werd, blijft wel het eerste moderne kantoorgebouw in Nederland ook al het moest over de jaren vele malen aangepast worden. Het gebouw heeft een hoge architectuurhistorische waarde als onderdeel van het inmiddels sterk geslonken oeuvre van Rose. Daarnaast vormt het nog het enige resterende gebouw van de door hem beoogde verandering en uitbreiding van het Binnenhof in de tweede helft van de 19de eeuw.

Beeld ↑Gezicht op het Coolsingelziekenhuis te Rotterdam, Cornelis Gerrit Verburgh, 1839 – 1846. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.


Architect van aanzien

Rose was geen kleine jongen, hij was een architect van aanzien. Hij verdiende het niet zomaar van het Binnenhof weggewuifd te worden, waar hij toch geruime tijd de juiste persoon op de juiste plaats had geleken. Rose was een charismatisch en onzelfzuchtig man, wiens werk als stadsarchitect van Rotterdam en wiens revolutionaire technische inzichten bewonderd werden. Rotterdam werd zijn experimenteertuin: hij zei dat hij Rotterdam groot en gezond wilde maken en schuwde daarbij het gebruik van nieuwe bouwmethoden en materialen (gietijzer, beton, zink) niet.

Rose ontwierp en liet rond 1840 in Rotterdam het Coolsingelziekenhuis bouwen. Het was zijn eerste grote ontwerp en meteen het eerste moderne ziekenhuis van Europa. Licht en lucht waren belangrijke uitgangspunt voor het ontwerp. Rose gebruikte stoom als basis voor warm water en interne verwarming. Stoom zorgde ook voor het toen nog onbekende fenomeen: de ‘lift’. Zelfs de operatietafels werden met waterkracht omhoog gebracht. Daarnaast zorgde water voor koeling van het gebouw. Dat werd vers uit de Maas gepompt. Waterleidingen bestonden er in die tijd nog niet. Het mechanische ventilatiesysteem werd door hem toegepast op een schaal die tot dan onbekend was.

Riolenstelsel en singel

Rose vond dat het ziekenhuis er aan de buitenkant ernstig en deftig uit moest zien. Het interieur was juist opwekkend en vrolijk. In de ornamenten toonde Rose zich de fijnbesnaarde tekenaar. En de patiënt waande zich in een paleis. Ook buiten het ziekenhuis knapte Rotterdam op. Dankzij Rose kreeg Rotterdam een uitgekiend ondergronds riolenstelsel. Ook was hij met zijn Waterproject verantwoordelijk voor de aanleg van singels in de stad, een hygiënische oplossing voor de doorspoeling van het stadse water. Hij introduceerde trottoirs en gasverlichting op straat. Omdat er iets ernstig misging met zijn project aan de Boompjes werd Rose ontslagen als stadsarchitect – hij kreeg een functie als ingenieur van Gemeentewerken.

Beeld ↑Gezicht op het Coolsingelziekenhuis, uit het noordoosten, rechts de Van Oldenbarneveltstraat. 1900. Collectie Stadsarchief Rotterdam.


En toen kwam Den Haag en werd Rose in 1858 Rijksbouwmeester ‘der landsgebouwen in de residentie’. In die periode was vrijwel iedereen op het Binnenhof erover eens dat er iets aan de gebouwen moest gebeuren. Door het alsmaar uitgestelde onderhoud was de situatie zo zorgelijk geworden dat nietsdoen geen optie meer was. Het Binnenhof was in “een zeer achterlijken toestand” geraakt. Als er nog langer gewacht zou worden, dan zou het complex of uit zijn voegen barsten dan wel door rot, lekkage en verzakking in elkaar storten. Onbekend was Rose niet in Den Haag. Hij had al in 1844 een ontwerp aangeleverd voor een geheel brandvrij Rijksarchief, iets dat nog door niemand was bedacht. Het gebouw zou een constructie van steen en ijzer krijgen, hout was uitgebannen. Het werd helaas nooit uitgevoerd. 

Als iemand in Nederland wist hoe je overheidsgebouwen ontwierp, dan zou dat Willem Nicolaas Rose moeten zijn. Zijn moderne manier van bouwen zou niet alleen de doelmatigheid van de gebouwen kunnen vergroten, maar daarnaast ook gunstig kunnen uitpakken voor de altijd krappe kas van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Rose stond voor een lastige taak. In het geval van het Haagse Binnenhof ging het niet alleen om functionaliteit. De ontwerpen moesten in de eerste plaats ‘representatief’ voor de staat der Nederlanden zijn.

Lastige taak

De regering gaf Rose de opdracht met grote omzichtigheid te werk te gaan. Bij de nieuwbouw aan de Pleinzijde en voor de restauratie van de Grote Zaal (later de Ridderzaal) deed de bouwmeester echter keuzes die totaal verkeerd vielen bij het publiek. Hij wilde de oostkant van het Binnenhof een symmetrisch aangezicht geven in classicistische stijl: halverwege het Plein zou een nieuw gebouw voor de Hoge Raad verrijzen met aan weerszijden twee identieke departementsgebouwen voor de ministeries van Justitie en Koloniën. Het Huygenshuis en het Hotel Brunswijk zouden moeten wijken voor de nieuw te bouwen ministeries. Koloniën kwam er, in mei 1861 konden de ambtenaren er al terecht. Roses ontwerp was nog wel herkenbaar, maar hem opgedrongen bezuinigingen hadden toch fors ingegrepen in de architectonische detaillering en uitmonstering van het gebouw.

Niet lang na de oplevering van het departement barstte de kritiek in alle hevigheid los. Zoveel vooruitstrevend denken werd niet gewaardeerd in Den Haag. Rose werd neergesabeld. Nog voordat het gebouw van de Hoge Raad begonnen was, verscheen in het kritisch literaire tijdschrift De Nederlandsche Spectator een reeks bijdragen die de ontwerpen van Rose genadeloos onder vuur namen. Zo toonde een cartoon met het onderschrift ‘De restauratie van het Haagsche Plein, voorheen ’s‑Graven Kooltuin’ het nieuwe ministerie van Koloniën als kippenhok en het aangrenzende gebouw van de Hoge Raad als hondenhok.

Beeld ↑Ministerie van Koloniën aan het Plein in Den Haag. 1904. Collectie Haags Gemeentearchief.


Armzalige uitstraling

Vooral het gebruik van moderne bouwmaterialen moest het ontgelden. De critici meenden dat de combinatie van klassieke elementen met moderne bouwmaterialen als baksteen en gietijzer de nieuwe gebouwen een uiterst armzalige uitstraling gaf. Het departementsgebouw kon daarom het best vergeleken worden met een fabriekshal vanwege de grote ramen en de benepen ingang. De kleurkeuze van het gebouw viel ook niet in de smaak; die was rozerood en deed afbreuk aan het aanzien van het regeringscentrum. Ambtenaren klaagden over kou en hitte en wilden in november 1861 terug naar hun oude werkplek omdat zij de winter in het nieuwe gebouw vreesden. Het moderne verwarmingstoestel werd buiten werking gesteld en vervangen door potkachels. De gietijzeren vensters werden vervangen door houten ramen. Er is geen gebouw in Den Haag waarvan de ramen zo vaak zijn vervangen.En zo was er van alles mis dat op het bord van Rose werd gedeponeerd.

Sommige Kamerleden wilden al in 1861 van Rijksbouwmeester Rose af. Minister van Binnenlandse Zaken Van Heemstra nam het voor Rose op en weigerde hem ontslaan, al had vanaf dat moment geen enkel van Roses voorstellen voor het nieuwe paleis van de Staten-Generaal ook maar een schijn van kans op geaccepteerd worden en slagen. Ondanks alle kritiek en tegenwerking kreeg Rose pas in 1867 eervol ontslag met toekenning van wachtgeld. Wist Rose in Rotterdam internationale allure te realiseren, in Den Haag werd zijn vooruitstrevende visie zijn ondergang. 

Beeld ↑ Spotprent op de bouwplannen voor de ministeries aan het Plein, 1861, Johan Michaël Schmidt Crans, naar Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer, 1861. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.


Rijksmonument

In 1883 werd gebouw Koloniën uitgebreid. Vermoedelijk was de toenmalige Rijksbouwmeester Cornelis Peters hiervoor verantwoordelijk. Het gebouw werd aan de achterzijde gesloten. Rose bouwde het oorspronkelijk in een E-vorm, waardoor de buitenruimten binnenplaatsen werden. Rond 1895 volgde een tweede uitbreiding, dit keer waarschijnlijk naar ontwerp van Rijksbouwmeester Daniël Knuttel. Zo kreeg het gebouw zijn huidige grondvorm. Een grotere ingreep vormde de renovatie van het trappenhuis aan het begin van de jaren ’30, waarbij de bestaande trap door een lift en een nieuwe, daar omheen ontworpen trap vervangen werd. De hal tussen de hoofdentree en de trap werd tegelijkertijd aan de tijdgeest aangepast. In 1959 werden de gevels versoberd. Een deel van de ornamenten en roestend gietijzer werden weggehaald. In 1978 werd het gebouw tot rijksmonument verheven. In 1991 werd er een glazen verbindingsgang van drie bouwlagen hoog tussen de nieuwbouw van de Tweede Kamer en het gebouw gemaakt.  In 1997 onderging het gebouw nog een renovatie waarbij het merendeel van de ramen in de buitengevels vervangen werden en de binnenplaatsen door een glaskap werden afgedekt.