De laatste huismeester op het Binnenhof: ‘Horen, zien en zo nodig zwijgen’

Tom van Bokhoven was de laatste huismeester van de Eerste Kamer die zelf op het Binnenhof woonde. In 2008 moest hij de deur achter zich dichttrekken, omdat men dringend behoefte had aan werkvertrekken. Dat afscheid werd door menigeen betreurd. In drieëntwintig jaar tijd was Van Bokhoven uitgegroeid tot een immer aanwezige sleutelfiguur. In geval van nood stonden politici bij hem onder de douche en kregen ze een schoon overhemd, vrouwelijke Kamerleden huilden uit bij zijn echtgenote Yvonne en de kroonprins werd aan zijn eettafel door Tjeenk Willink voorbereid op het koningschap. Dat mogen we allemaal niet of misschien toch wel vertellen, want zoals het een vertrouwensfiguur betaamd is Van Bokhovens motto ‘horen, zien en zo nodig zwijgen’. Het zegt echter veel over de reikwijdte van de baan en hoe belangrijk de menselijke factor is.

Auteur | Hendrik van Leeuwen

In rokkostuum met strikje

Weinig mensen zullen hun kinderen op zo’n unieke locatie hebben opgevoed. De eettafel bood uitzicht op de Ridderzaal, de woon- en slaapvertrekken keken uit op de Hofvijver, waar ook de buitenlucht kon worden opgezocht op een privé-terras. Zoonlief scheurde op zijn skelter door de gangen. Zijn circuit rond de glazen koepel, die het daglicht doorgeeft aan de statige ontvangsthal van de Eerste Kamer, was daar heel geschikt voor. Twaalf jaar na hun afscheid zijn de Van Bokhovens er nog steeds kind aan huis. Oude bekenden worden warm begroet, nieuwelingen hebben al de nodige mythes en verhalen gehoord. Als Yvonne naar de stad wil, parkeert ze haar autootje nog wel eens op het Binnenhof. 

We kunnen het verhaal beginnen in 1985, toen Tom van Bokhoven werd aangesteld om de beveiliging op een hoger plan te tillen. Er was genoeg aan de hand in de wereld en toch veranderde er weinig aan de openbare toegankelijkheid van het Binnenhof. Minder zichtbaar, maar niet minder belangrijk was de interne gang van zaken. Van Bokhoven bracht lijn in het protocol. Gepromoveerd tot hoofd van de interne dienst hield hij streng toezicht op de staf achter de schermen. Op dinsdagen, de vaste vergaderdag van de Eerste Kamer, zat hij zelf (altijd in rokkostuum met strikje) op het stoeltje naast de voorzitterstafel. Hij was de schakel tussen senaat en ondersteuningsapparaat. Ondanks zijn dienstbare opstelling is Van Bokhoven geen stijve butler geworden. Hij schakelt soepel heen en weer tussen een formele en een joviale houding. Persoonlijke verhalen dist hij met de nodige retoriek op, waarbij hij zich ietwat gramstorig laat corrigeren door Yvonne. Over politiek laat hij zich niet uit.

Het uitzicht op de Ridderzaal is nog identiek, maar de keuken is spoorloos verdwenen uit de voormalige huismeesterswoning. Na de ontmanteling is een statige wandelgang in oude luister hersteld.

De eerste Tommie is gearriveerd 

Misschien is het daarom beter om het verhaal in 1944 te beginnen, het laatste oorlogsjaar, waarin zijn vader een annonce in de krant zette dat op 23 oktober ‘de eerste Tommie was gearriveerd in Delft’. “Snap je?” vraagt hij na een veelbetekenende pauze. “Iedereen zat op de Canadezen te wachten. Die werden Tommies genoemd en gingen ons bevrijden. Iemand heeft dat berichtje ’s nachts zelfs op de deur geplakt.” Het zal Tom van Bokhoven hebben gesterkt in het idee dat hij geen gewone jongen was. Leren was niet aan hem besteed, de banketbakkerij van zijn vader evenmin. Tommie droomde van avontuur. Op zijn vijftiende pakte hij de bus naar Marseille om te gaan varen. Hij monsterde aan op de MS Alkes van rederij Nievelt Goudriaan, maar de reis door Perzische Golf werd een desillusie. “Ik vond het bestaan als ketelbink verschrikkelijk,” zegt hij hartgrondig. Zijn avontuurlijke houding maakte hem wel geschikt voor de veiligheidsdienst op Schiphol, wat een opstapje bleek te zijn naar de Eerste Kamer. Hij bracht zijn belangstelling voor de verte ook over op Yvonne die hij in 1962 ontmoette. Vanaf de eerste reis met de Oriënt-Express, nog ongehuwd, delen ze een belangstelling voor oudheden en kunst.

Het huidige appartement in Kijkduin staat tjokvol antiquiteiten. Veel oudheidkundige sculpturen van Griekse, Romeinse en zelfs Egyptische origine. “Als kind had ik al een museum,” zegt Van Bokhoven. “Mijn oom was antiquair en daar kreeg ik wel eens wat van. Zie je deze steen met oerwater? Hij is hol en een beetje doorzichtig. Zie je het water golven als ik hem beweeg? Dat is oeroud!” Van de prehistorie naar de moderne kunst is voor hem geen grote stap. Aan de muur hangt een prachtig abstract schilderij van Bram Bogart dat een vergelijkbaar beroep doet op het oergevoel. Ze hebben niet eens alles kunnen meenemen uit hun woning, zoals de tientallen meters lange muurschildering van Jacob Kanbier, die op verzoek van Tom van Bokhoven is aangebracht. Over de kunstzinnige waarde valt te twisten. Hun verzameldrift is altijd impulsief geweest, niet de vrucht van een doordachte smaakontwikkeling, maar de eclectische collectie bevat ontegenzeglijk mooie objecten. In de drieëntwintig jaar dat ze op het Binnenhof woonden moet de bevlogenheid voor kunst invloed hebben uitgeoefend, niet alleen op henzelf, maar ook op vele anderen.

Tom en Yvonne van Bokhoven hebben niet eens alles kunnen meenemen uit hun woning op het Binnenhof, zoals deze tientallen meters lange muurschildering van Jacob Kanbier.

Men zegt dat het spookt

Zoals de meeste moeders van haar generatie hield Yvonne het gezin draaiende. Daarnaast werkte ze parttime op kantoor bij Oldelft en fungeerde ze na vijven als onbezoldigde secretaresse van de Eerste Kamer. “Soms werd ik gek van alle telefoontjes,” zegt ze met een felle blik in de ogen. “Zou jij dat kreng laten rinkelen als de aardappels opstaan en de vaste telefoniste al naar huis is gegaan? Dan werd de lijn doorgeschakeld naar ons huis.” Terwijl ze rondloopt in haar voormalige woning op het Binnenhof wijst ze nuchter op alle veranderingen. Waar vroeger de huiskamer was, staat nu kantoormeubilair. Het uitzicht op de Ridderzaal is nog identiek, maar de keuken is spoorloos verdwenen. Na de ontmanteling is een statige wandelgang in oude luister hersteld. Met enige fantasie lopen er edellieden in zeventiende-eeuwse kledij en besnorde senatoren die op fluistertoon een geschil bepraten. “Het gebouw spreekt tot de verbeelding,” knikt Tom. “Men zegt dat het spookt in de keldergewelven. Ik heb er nooit iets van gemerkt, maar er zijn mensen gevangen gezet en sommigen zijn in hun cel gestorven.” Yvonne is te nuchter voor spookverhalen. Toch blijkt het verleden verrassend dichtbij als een oude bekende in de vensterbank neerstrijkt. “Kijk, daar is Kobus!” roept ze, terwijl naar het raam loopt en op het glas tikt. De meeuw aan de andere kant blijft er stoïcijns onder. Ze weten blijkbaar precies waar er wat te halen valt, vooral de haringkar net buiten het Binnenhof is een beruchte plek. “Ach ja,” zegt ze, “Kobus kwam steeds terug, maar dit is natuurlijk niet meer dezelfde meeuw.”

Binnenhof 21 (het privéadres) en Binnenhof 22 (waar de post voor de Eerste Kamer wordt bezorgd) lopen bijna onmerkbaar in elkaar over. Tussendeuren gingen ook toen al niet op slot, want brandweer, onderhoud en beveiliging moeten in geval van nood overal bij kunnen. “Soms stommelde er opeens iemand door de gang,” zegt Yvonne, “dan was er weer wat aan de hand met de stoppenkast. Maar ach, je draait je om en slaapt verder.” Waarschijnlijk was die stipte waakzaamheid voor Tom wel zo geruststellend. Zijn vader kwam in 1963 om bij een brand in de banketbakkerij. 

De sigaar van Wiegel

Tom van Bokhoven rookt zware shag. Om de haverklap draait hij een saffie en Yvonne tolereert het, anders wordt het vast heel ongezellig. In de vergaderzaal van de Eerste Kamer mag al tientallen jaren niet meer gerookt worden, maar Tom wijst graag, met een zwierig gebaar, op het eenvoudige sigarenkastje met genummerde vakjes dat nog in de koffiekamer staat. Vroeger had elke senator zijn eigen vakje. “Tot de laatste renovatie lag er zelfs nog een dikke sigaar in,” zegt hij. “Die had Wiegel misschien wel expres achtergelaten. Bij wijze van reukvlag. Ik heb ze nog op het hart gedrukt om die sigaar te laten liggen. Jammer genoeg is hij toch verdwenen.” Als hij doorloopt naar de grote vergaderzaal verandert zijn houding. Niet opzienbarend maar toch, je ziet het aan kleine details. Kaarsrecht kijkt hij in het rond. Dit was zijn theater. Hij wijst op de hoge tribune waar pers en publiek plaats moesten nemen, zelf zat hij op het stoeltje naast de voorzitterstafel. Met zijn hand beroert hij lichtjes het groene laken waar de senatoren al sinds de oprichting van de Eerste Kamer het lees- en schrijfwerk op kunnen deponeren. Hij wijst op de tinnen inktpotten die niet meer door een kamerdienaar worden bijgevuld, maar die toch met het oog op de geschiedenis zijn blijven staan. Je weet ten slotte niet wie er zijn pen in heeft gedoopt. “Hier is geschiedenis geschreven,” zegt Ton van Bokhoven, ”en ik heb het een poosje van heel nabij gezien.”

Beeld bovenaan ↑ Tom van Bokhoven (1944-2022) en Yvonne Favre van Bokhoven (1945) kijken op de Haagse Lange Vijverberg uit op hun kasteel aan de Hofvijver.


Blijf op de hoogte van het laatste nieuws uit het Binnenhof en mis niets van de historische actualiteit!

We sturen je geen spam! Lees ons privacybeleid voor meer informatie.