Het schemert al wanneer een goed geluimd gezelschap onderweg is om per sloep Port-Maria te verlaten. Hun luid gejoel en gezang overstemt het geklots van de aanrollende golven. Ze hebben goede zin want hebben lucratief handelgedreven in de Marokkaanse haven, bij de stad Salé, en zijn met een groot geldbedrag op weg naar hun schip, dat buiten de haven voor anker ligt.

Plotseling wordt het viertal aangevallen door de bemanningsleden van een passerende boot. De vier Hollanders zijn duidelijk in de minderheid en drie van de mannen komen al snel tot de beslissing de ongelijke strijd op te geven en te vluchten. Eén Hollander houdt evenwel moedig stand: Johan van Galen.
Johan, naar wie menige straat werd vernoemd, is de held van dit schilderij. Deze kapitein, vanaf zijn dertiende zeevarend en later tot schout-bij-nacht en vlootvoogd bevorderd, stond onder zijn tijdgenoten bekend om zijn kunde en moed.
Het moedvertoon van Johan van Galen (1604 – 1653) bij Port-Maria, 1649. Kannemans, Christiaan Cornelis (1827 – 1884). Collectie · Amsterdam Museum.
Barbaarse kapers
Van zijn heldenmoed geeft hij op het schilderij ook weer blijk. De adrenaline moet wel door zijn lichaam stromen, zo stort Johan, gewapend met slechts zijn degen, zich op zijn tegenstanders. Met zijn ene been op de rand van de sloep en het andere op het bankje weet hij in evenwicht te blijven. Hij brengt zijn tegenstanders flink wat letsel toe, tot zijn wapen hem ontglipt. Daarop snelt Johan naar het strand, zijn bemanningsleden achterna. Hij komt even op adem, ziet dat een van zijn mannen in een tweegevecht en aan de verliezende hand is, en mengt zich wederom in het gevecht. Johan van Galen ontvangt een harde zwaardslag en stort ter aarde.
In latere beschrijvingen is Johans moedig optreden waarschijnlijk flink aangedikt. Wat beslist klopt is hun schets van de omstandigheden op de zeventiende-eeuwse zeeën. Piraten en kapers maakten zeeroutes onveilig en bedreigden de voorspoedige handel van de Republiek der Zeven Verenigde Provincies. Vandaar dat de Staten-Generaal maatregelen troffen om de scheepvaart te beveiligen. De bestrijding van kapers (zeerovers die gelegitimeerd door een staat hun slag slaan) en piraten (zeerovers die op eigen houtje opereren) werd op voortvarende wijze aangepakt. De groep waar Johan van Galen mee te kampen kreeg waren Noord-Afrikanen die bekend stonden als Barbarijse (barbaarse) kapers. Hun status was voor verschillende interpretaties vatbaar omdat hun piraterijen wel door hun stadstaten maar niet door hun vorst, de Sultan, werden goedgekeurd.
Spaanse schelmen
Voor de Staten-Generaal waren de Noord-Afrikanen echter duidelijk piraten, en zo moesten zij dan ook behandeld worden. Hard optreden, dat wensten de Staten te zien, en kapitein Johan van Galen was daarvoor de juiste man. Hij heeft flink wat schepen tot zinken gebracht, en heel wat piraten over de kling gejaagd. Wat in onze tijd mogelijk als oorlogsmisdaden zou worden gekwalificeerd, waren in de dagen van de Republiek heldendaden die eer en roem verdienden. Van Galens nagedachtenis in de vorm van een praalgraf in de Nieuwe Kerk van Amsterdam, hem toegewezen in opdracht van de Staten-Generaal, getuigt hiervan.
Maar dat schilderij… beeldt dit nu echt de werkelijkheid uit? Of is er een andere waarheid dan die, veel later, door de kunstenaar werd getekend? Bij de reis van 1649 was de latere admiraal Isaac Sweers adelborst op Van Galens Goude Maen. In Sweers’ autobiografische verslag staat hoe Van Galen op 2 juli in de buurt van Port-Maria overvallen werd door ‘Spaanse schelmen’.
Hij had 4.000 guldens op zak, verdiend met het als slaaf verkopen van twintig krijgsgevangen Moorse kapers. De koppige Van Galen weigerde het geld af te geven. Alle zeven (dus geen vier) Nederlanders werden in het hierop volgende gevecht neergestoken. Van Galen zelf kreeg elf steekwonden te verduren. Het geroofde geld werd later door de Spaanse autoriteiten achterhaald en de daders werden gehangen. Van Galen overleefde zijn verwondingen en keerde in het najaar van 1650 terug naar Amsterdam, waar hij besloot zijn leven aan land te slijten. Hij had wel toegezegd te willen terugkeren naar zee in het geval dat de Republiek in een oorlog verwikkeld zou raken. Die belofte werd hem fataal toen hij als commandeur meevocht tijdens de Eerste Engelse Oorlog. Van Galen werd in 1652 getroffen door een kanonskogel en overleed ter plekke aan zijn verwondingen.