De moedige redder

“Van de drie groote deugden, die wel als de mannelijke bij uitnemendheid kunnen gelden: Moed, Kracht-tot-handelen en Rechtvaardigheid, mocht Victor de Stuers de beide eerste even stellig de zijne noemen, als hij de laatste – en dat dikwerf tot schade van zijn werk – heeft moeten derven.”

Auteur | Ton Haak
Beeld bovenaan | Victor de Stuers, 1843 – 1916. — P. de Josselin de Jong, 1890. Collectie · Document voor een Monument.


Zo stond het geschreven in het In Memoriam van de hand van Jan Veth dat in 1916 in De Gids verscheen. Victor Eugène Louis de Stuers, Limburger van geboorte (in 1843), jonkheer, jurist, voormalig rijksambtenaar, adviseur van regeringen, en lid van de Tweede Kamer voor ‘de Rooms-Katholieken’, was ten grave gedragen. Zijn leven stond meer dan vijftig jaar in het teken van de bevordering van goede architectuur en beeldende kunst in Nederland. De Stuers was de godfather van Monumentenzorg, het Rijksmuseum, kunstonderricht. Hij speelde als adviseur een uiterst belangrijke, misschien wel beslissende rol in het behoud van het complex gebouwen van het Binnenhof. Hij vervulde die rol in de tijd dat menigeen, ook op regeringsniveau, zich uitsprak vóór afbreking van ‘de hele handel’. Sommige van zijn tijdsgenoten, niet bij machte tegelijk diep in het verleden en ver in de toekomst te kijken, zouden algehele nieuwbouw van de parlements- en regeringsgebouwen op het Malieveld bepleiten. Hadden zij hun zin gekregen, had het zowel Haagse kermisgasten als protesterende boeren hun weids domein gekost.

Geduchten vechtersbaas

Niettegenstaande zijn grote betekenis voor de kunst en cultuur kreeg De Stuers uiteindelijk in slechts drie Nederlandse gemeenten een straat naar zich vernoemd. Dat zijn alle drie Limburgse gemeenten, want in die provincie betekent zijn naam nog iets, voldoende om ook een kunstprijs met zijn naam te sieren. In zijn tijd was iemand die uit het verafgelegen Limburg stamde ‘onder ons gereformeerden’ in het westen van het land en zeker in Den Haag eigenlijk meteen verdacht, want die zou vast wel ‘rooms’ zijn. Dat was De Stuers inderdaad, een man die sterk en trouw was ook (en niet anders dan die Hagenaars) aan zijn vooroordelen “en zelfs in zijn rancunes. Zoo gebeurde het dat hij meer aan een geduchten vechtersbaas dan aan een ridderlijk strijder deed denken,” aldus Veth. Hij stelde verder dat De Stuers kunst, en architectuur, zo hoog achtte dat hij zijn hele leven “voor hare miskende rechten” zou opkomen. “Niemand had hij toen gevonden, die tegen hem opgewassen kon heeten. In die rol van alléén-weter is hij allengs vastgegroeid.”

Beeld ↑ Spotprent met Victor de Stuers, Josephus Alberdingk Thijm en Pierre Cuypers voor het Rijksmuseum, Jan Holswilder, 1885. Collectie · Rijksmuseum, Amsterdam.


Spook en flaters

De Stuers was nog jong toen hij al in de aanval ging. Hij liet van zich horen in een indrukwekkende bijdrage, van maar liefst 87 pagina’s, in De Gids van 1873, die als niet mis te verstane titel ‘Holland op zijn smalst’ kreeg, een doorwrochte, gedocumenteerde aanklacht. Het betoog was méér dan dat, want hij legde niet enkel de bedroevende verschijnselen bloot, hij stelde diagnose, en hij “schreef de medicijn voor ter keering van het kwaad,” gaf daar ook nog een volledig schema, een “veldtochtplan” aan. En hij nam bovendien zelf de uitvoering ervan ter hand – en slaagde daar in de loop der tijd goeddeels in ook nog eens, “omdat hij met ijzeren wil volhardde in het overwinnen der moeilijkheden.” De Stuers schreef méér dan dat ene credo. In De Gids van 1877 verscheen van zijn hand ‘Een bouwkundig spook’, in de Dietsche Warande van 1879 had hij het over ‘De flaters van een bouwkundige’; die bouwkundige was een Franse architect die zijn slordig gevormde oordelen over de Nederlandse architectuur in een geschrift breed had uitgemeten. Ook in dat relaas zette De Stuers punten op alle i’s – het kan bijna als aanvullend beleidsstuk voor “zijner grootsche taak” worden gelezen.

Beeld ↑ Hal in het voormalig departement van Koloniën. Collectie · Document voor een Monument..


Afbreken en nieuw bouwen

Die taak omvatte veel: behalve het nemen van vernieuwende initiatieven ook de zorg voor de Nederlandse monumenten, voor de vaderlandse historie zoals die te vinden is in de bouwwerken van de natie. Het Binnenhof stond in het middelpunt van zijn belangstelling. Nadat de liberale Thorbecke de aanvoerder was geworden van het denken over “afbreken en, eigentijds, nieuw bouwen” was van veel kanten verzet gekomen tegen dat samenraapsel van gebouwen, met eigen jaartallen en stijlen, dat het Binnenhof sierde, en parlement en overheid huisvesting bood. Het Binnenhof werd als “onvoldoende representatief” gekenschetst, er moest naar andere landen worden gekeken, zie toch wat die deden… Allerlei plannen, van allerhande architecten, werden ontworpen en in Den Haag besproken. Daartussen zaten zelfs ontwerptekeningen voor torenhoge, jaloers aan Manhattan ontleende, machtuitstralende constructies. Die deden op hun beurt veel anderen gruwen. Ook De Stuers die, samen met de toonzettende Nederlandse architect van zijn tijd, Pierre Cuypers (ha, alweer zo’n Limburger…) weerwerk pleegde, het behoud van het historische Binnenhof voorstond, en zorgvuldig overwogen renovatie bepleitte – en dit in de periode tussen 1901 en 1916 als kamerlid, tot aan het eind van zijn jaren, zou volhouden. Daarin is, aldus de zeker niet ademloze bewonderaar Veth, “voor de historie de onaanvechtbare roem van V. de Stuers gelegen.”

Beeld ↑ Gewelf trappenhuis in het voormalig ministerie van Justitie, 1876 – 1883. Collectie · Document voor een Monument..


Wakker oog

De ambtenaar, ooit benoemd om de politiek vorm te geven die hij zelf uitvoerig had beschreven in zijn ‘Holland op zijn smalst’, de publicatie in De Gids die wel als zijn verkapte sollicitatiebrief werd gezien, bleef ook als kamerlid een spin in het web van het Binnenhof. Niet dat zijn aandacht voor andere onderwerpen verslapte. Hij was net zo attent op zaken die monumentenzorg betroffen en gaf steun aan menig gemeentebestuur dat “met oude gebouwen zat” die gered en voor de toekomst veiliggesteld moesten worden; hij stuurde restauraties aan, hield een wakker oog op alle overheidsarchitectuur gevestigd, en was even zorgzaam als het om musea of archieven ging. Op beleidsterrein bepaalde hij, dat mag gezegd, ontwikkelingen die tot op de dag van vandaag de Nederlandse historie en cultuur dienen.


Dit artikel over Victor de Stuers, de godfather van Monumentenzorg, is een ingekorte versie van een van de vele verhalen uit Verleden van het Binnenhof.


Abonneer op de nieuwsbriefBinnen op het Binnenhof

Schrijf je in voor onze updates en blijf daarmee op de hoogte van de nieuwste artikelen, interviews, opmerkelijke gebeurtenissen en evenementen in en rondom het Binnenhof.

We sturen je geen spam! Lees ons privacybeleid voor meer informatie.

close

Oh, hallo daar...
Leuk je te ontmoeten!

Abonneer op de nieuwsbrief – Binnen op het Binnenhof

We sturen je geen spam! Lees ons privacybeleid voor meer informatie.

Dit vind je misschien ook leuk

Rose: een eigenzinnig genie

Willem Nicolaas Rose, stadsarchitect van Rotterdam en man met internationale allure, werd in 1863 door Thorbecke betrokken bij…
Stampij op de stapelplaats

Stampij op de stapelplaats

Ooit, toen de Ridderzaal nog bekend stond als de “Groote Zaal”, werd daar handelgedreven. Er was geen betere…
Het geweldig aanranden

Het geweldig aanranden

Voor wie mocht denken dat het pas in de tweede helft van de 20ste eeuw voorkwam dat er…